Klassikaal voorlezen in het vmbo: tijdverspilling of juist een uitkomst? In deze blogpost laat Ben Blom, docent Nederlands op Compaen VMBO, zien hoe voorlezen (en een beetje uithoudingsvermogen van de docent) kan zorgen voor diepgaande gesprekken in de klas.

Op mijn school liepen we, zoals helaas vaak het geval is bij vmbo-scholen, enigszins achter op het gebied van leesbevordering. De laatste jaren heeft fictie echter steeds meer ruimte ingenomen in ons PTD én in onze dagelijkse lespraktijk.

Fictie koppelen aan vaardigheden

Allereerst werken we met een methode, waarin verhalen bij veel modules het uitgangspunt vormen. Aan de hand van fictie komen alle vaardigheden aan bod: kijken en luisteren, schrijven, spreken en lezen van non-fictie. Het voordeel van deze verhalen is dat de leerlingen direct veel meer context krijgen. Door voor te lezen kunnen we sneller en makkelijker de diepte in. Het kost leerlingen namelijk minder moeite om technisch te lezen en de moeilijke woorden en uitdrukkingen kunnen we gelijk klassikaal bespreken. Toch staan veel jongeren niet direct te juichen wanneer ik er een verhaal bij pak.

De weg naar klassikaal voorlezen

Dit geldt uiteraard ook voor het zelf lezen van hele boeken. In reguliere lessen laat ik mijn leerlingen meestal 10 minuten lezen in een boek naar keuze. Dat is uiteraard te kort om echt tot dieplezen te komen, maar iets is nu eenmaal beter dan niets. Al enkele jaren las ik daarom om de zoveel tijd leesuren in. Voorheen riep dat veel weerstand op, maar dat nam geleidelijk aan af door stug vol te houden.

Toen we dit jaar echter begonnen met het klassikaal voorlezen van hele boeken, zorgde deze verandering in eerste instantie opnieuw voor een hoop gemor. Bij mijn derdejaars leerlingen spat het enthousiasme er nog steeds niet helemaal vanaf, maar toch ben ik ervan overtuigd dat de aanhouder wint. Dat merkte ik immers ook toen ik voor het eerst zakelijke teksten voorlas en mijn leerlingen liet meelezen. Hoewel ze in het begin nog enorm veel commentaar gaven – ‘Moeten we dit allemaal lezen?’, ‘Ja maar, meneer, dat duurt toch hartstikke lang?!’ – hoor ik dit soort opmerkingen tegenwoordig nauwelijks meer.

De rol van illustraties

Met de tweedejaars startte ik dit schooljaar met de roman Zeven minuten na middernacht (2011) van Patrick Ness naar een idee van Siobhan Dowd. Omdat de klassensets toen nog binnen moesten komen, konden leerlingen op het digibord meelezen met het e-book. Maar bijna een heel lesuur meelezen vanaf een scherm, vraagt behoorlijk wat discipline. De leerlingen mochten van mij daarom tijdens het voorlezen ondertussen doodles gaan tekenen. In hoeverre luisteren ze dan echt? Die vraag speelde in het begin veelvuldig door mijn hoofd. Gelukkig bestaat mijn tweedejaars vmbo-tl-klas uit een groep betrokken leerlingen, want bij spannende of verontrustende fragmenten reageerden ze volop. Mooi, dacht ik, ze luisteren dus wel degelijk! Dat merkte ik ook doordat het bij emotionele passages muisstil werd. Aan het einde van het leesuur hoorde ik zelfs hevige discussies ontstaan over de vraag of de ernstig zieke moeder van Conor, het hoofdpersonage, nu wel of niet dood zou gaan.

Toen de boeken eenmaal binnen waren, lazen de meeste leerlingen keurig mee, hoewel een enkeling ervoor koos om alleen te blijven luisteren. Met het fysieke boek voor hun neus konden de leerlingen nu bovendien beter de zwart-witillustraties van Jim Kay bestuderen.

Na afloop besprak ik het boek aan de hand van leesvragen. Omdat de illustraties zo’n belangrijke rol spelen in deze jongerenroman, leek het me interessant om daar de volgende vragen over te stellen:

  • Waarom zou Jim Kay de illustraties alleen in zwart-wit hebben gemaakt?
  • Waarom zie je Conor nergens gedetailleerd uitgewerkt, maar vooral als een soort silhouet?
  • Waarom zijn voornamelijk Conor en het Monster afgebeeld en zie je maar zeer weinig bijpersonages in de illustraties terugkomen?

Door af en toe door te vragen kreeg ik de mooiste antwoorden te horen. Zo vertelde een leerling dat ze dacht dat Conor nergens gedetailleerd is afgebeeld, ‘zodat veel leerlingen zich in hem kunnen inleven.’ En de zwart-witillustraties zorgen juist voor ‘een spannende sfeer.’

Boek versus film

Ditzelfde trucje herhaalde ik nadat we samen de verfilming (A Monster Calls, 2016) hadden bekeken. Na enkele vragen over de belangrijkste verschillen tussen het boek en de film, stelde ik de vraag: waarom heeft de regisseur ervoor gekozen om de drie verhalen, die het monster vertelt, als animatie weer te geven? Eén leerling opperde dat animatie goedkoper was dan het gebruik van echte acteurs. Een leuke gedachte, maar ik gaf aan dat geld waarschijnlijk niet de reden zou zijn geweest. Daarop kwam een klasgenote met het volgende antwoord: ‘Aan het eind van de film zie je Conor door het oude schetsboek van zijn moeder bladeren. Daarin blijken illustraties te staan, die de drie verhalen uitbeelden.’ Kijk, daar doe ik het voor… Dit einde van de film, dat afwijkt van de afloop in het boek, zorgde ook al direct voor een discussie in de klas. Al snel gaven de juiste argumenten de doorslag: in het schetsboek zie je aan het eind een tekening van het Monster met een meisje op zijn schouder. Dus dat betekent dat Conors moeder vroeger ook het Monster heeft ontmoet en dat hij haar ook die verhalen heeft verteld.

Klassikaal voorlezen kent veel voordelen. Het vergroot de woordenschat, helpt bij het ontwikkelen van het empathisch vermogen, geeft een bredere kijk op de wereld en zorgt er bijvoorbeeld voor dat verschillen tussen leerlingen wegvallen. Maar het allerleukste is, dat voorlezen automatisch leidt tot prachtige gesprekken.

Deel dit bericht
Lezenslessen